Geloof
De filosoof zoekt wijsheid, de wetenschapper wil weten, wat zouden zij dan nog op hebben met zoiets als geloof? Immers, geloof is geen kennis: de inzichten die het geloof claimt zijn niet aantoonbaar en zelfs niet te onderzoeken. Men zou zelfs kunnen stellen dat geloof begint waar denken ophoudt. Maar waarom dan dit geloven nog willen? Valt hier eigenlijk wel iets te willen? Of, wat is geloof eigenlijk?
Kunnen niet-gelovigen over geloof nadenken? Kan een gelovige daar iets zinnigs over zeggen? De gelovige spreekt graag in formules en artikelen. Hij zegt bijvoorbeeld dat hij gelooft dat God groot is, of dat de zoon van God gestorven is voor onze zonden of dat God zijn woord gestand zal doen. Als we dit vertalen, dan blijken de gelovigen niets anders te zeggen dan ‘ik heb vertrouwen dat alles goed komt’. Geloof is inderdaad geen kennis, het is een zekerheid, een vertrouwen in de goede afloop, zelfs tegen beter weten in.
Het zal onmiddellijk duidelijk zijn dat er gradaties zijn van geloof. Niet iedereen is even zeker van zijn zaak. Men doet daarom iets om het geloof te versterken of zelfs af te dwingen. Moet men daarbij theïst zijn? Nee, eigenlijk niet. Ook een econoom en een natuurwetenschapper werken met geloof. Het zijn de calculaties en experimenten die het geloof versterken, zodat men een vertrouwen kan hebben in de werkelijkheid en onze plek daarin. De investeringen zullen ons verder helpen en met behulp van technologische oplossingen zullen geconstateerde problemen verleden tijd zijn, ‘daar zijn we van overtuigd’. Fallibilistisch gesproken is er geen absolute zekerheid mogelijk en blijft er altijd een marge over voor geloof en vertrouwen.
Toch zal een atheïst zichzelf geen gelovige noemen. Men kan niet geloven in het niet-bestaan van God. Geloof zou inderdaad vooral als affirmatie gezien moeten worden, niet als negatie van iets. Toch gelooft de atheïst wel ergens in, namelijk dat het ook zonder een God goed zal komen. Om de akker vruchtbaar te laten zijn, is helemaal geen God nodig, zo stelt de atheïst. Wie zaait zal oogsten, dat is de eenvoudige economie die aan de werkelijkheid ten grondslag ligt. Maar is de atheïst dan niet al te naïef? Oogsten mislukken door stormen, regens, ziekten en andere rampen. Toch zal de technocraat ons duidelijk maken dat de kans op een goede oogst enorm is toegenomen door gebruik van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en tal van andere technologieën. Er zijn bijna geen hongersnoden meer en het mooie van technologie is dat het altijd werkt, zelfs als je er geen vertrouwen in hebt. Dat kun je van goden niet zeggen, want die laten het afweten zodra je niet meer in ze gelooft.
Hier hebben we de crux te pakken die ervoor gezorgd heeft dat religie zo sterk aan belang heeft ingeboet. Geloof lijkt overbodig en zelfs onbetrouwbaar. De techniek kan het zonder stellen en zelfs beter dan welk gebed dan ook de gestelde doelen bereiken. En toch blijft er ook bij de technocraat sprake van geloof, wat blijkt als iets niet werkt of verkeerd uitpakt. Zal men dan zijn heil elders zoeken? Nee, men gaat op zoek naar andere technologische oplossingen, want men heeft vertrouwen in de techniek. Men vertrouwt erop dat de techniek overal een antwoord op heeft en elk probleem uiteindelijk kan oplossen. Dat is wat aan de basis van de vooruitgang ligt: het geloof dat het altijd beter kan en dat het ook altijd beter zal gaan. Zou men dat geloof niet hebben, men zou de techniek veel sporadischer toepassen en sneller tevreden zijn met de resultaten.