Geloof

door Don op 5 november 2011

De filosoof zoekt wijsheid, de wetenschapper wil weten, wat zouden zij dan nog op hebben met zoiets als geloof? Immers, geloof is geen kennis: de inzichten die het geloof claimt zijn niet aantoonbaar en zelfs niet te onderzoeken. Men zou zelfs kunnen stellen dat geloof begint waar denken ophoudt. Maar waarom dan dit geloven nog willen? Valt hier eigenlijk wel iets te willen? Of, wat is geloof eigenlijk?

Kunnen niet-gelovigen over geloof nadenken? Kan een gelovige daar iets zinnigs over zeggen? De gelovige spreekt graag in formules en artikelen. Hij zegt bijvoorbeeld dat hij gelooft dat  God groot is, of dat de zoon van God gestorven is voor onze zonden of dat God zijn woord gestand zal doen. Als we dit vertalen, dan blijken de gelovigen niets anders te zeggen dan ‘ik heb vertrouwen dat alles goed komt’. Geloof is inderdaad geen kennis, het is een zekerheid, een vertrouwen in de goede afloop, zelfs tegen beter weten in.
Het zal onmiddellijk duidelijk zijn dat er gradaties zijn van geloof. Niet iedereen is even zeker van zijn zaak. Men doet daarom iets om het geloof te versterken of zelfs af te dwingen. Moet men daarbij theïst zijn? Nee, eigenlijk niet. Ook een econoom en een natuurwetenschapper werken met geloof. Het zijn de calculaties en experimenten die het geloof versterken, zodat men een vertrouwen kan hebben in de werkelijkheid en onze plek daarin. De investeringen zullen ons verder helpen en met behulp van technologische oplossingen zullen geconstateerde problemen  verleden tijd zijn, ‘daar zijn we van overtuigd’. Fallibilistisch gesproken is er geen absolute zekerheid mogelijk en blijft er altijd een marge over voor geloof en vertrouwen.
Toch zal een atheïst zichzelf geen gelovige noemen. Men kan niet geloven in het niet-bestaan van God. Geloof zou inderdaad vooral als affirmatie gezien moeten worden, niet als negatie van iets. Toch gelooft de atheïst wel ergens in, namelijk dat het ook zonder een God goed zal komen. Om de akker vruchtbaar te laten zijn, is helemaal geen God nodig, zo stelt de atheïst. Wie zaait zal oogsten, dat is de eenvoudige economie die aan de werkelijkheid ten grondslag ligt. Maar is de atheïst dan niet al te naïef? Oogsten mislukken door stormen, regens, ziekten en andere rampen. Toch zal de technocraat ons duidelijk maken dat de kans op een goede oogst enorm is toegenomen door gebruik van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en tal van andere technologieën. Er zijn bijna geen hongersnoden meer en het mooie van technologie is dat het altijd werkt, zelfs als je er geen vertrouwen in hebt. Dat kun je van goden niet zeggen, want die laten het afweten zodra je niet meer in ze gelooft.
Hier hebben we de crux te pakken die ervoor gezorgd heeft dat religie zo sterk aan belang heeft ingeboet. Geloof lijkt overbodig en zelfs onbetrouwbaar. De techniek kan het zonder stellen en zelfs beter dan welk gebed dan ook de gestelde doelen bereiken. En toch blijft er ook bij de technocraat sprake van geloof, wat blijkt als iets niet werkt of verkeerd uitpakt. Zal men dan zijn heil elders zoeken? Nee, men gaat op zoek naar andere technologische oplossingen, want men heeft vertrouwen in de techniek. Men vertrouwt erop dat de techniek overal een antwoord op heeft en elk probleem uiteindelijk kan oplossen. Dat is wat aan de basis van de vooruitgang ligt: het geloof dat het altijd beter kan en dat het ook altijd beter zal gaan. Zou men dat geloof niet hebben, men zou de techniek veel  sporadischer toepassen en sneller tevreden zijn met de resultaten.

(meer…)

Handschrift

door Don op 2 oktober 2011

Gaat het handschrift op den duur verloren? Het  vermoeden dat dit zo is wordt al uitgesproken sinds de opkomst van de boekdrukkunst en wordt steeds herhaald met de komst van de computer. Maar sinds de opkomst van de IPad (en aanverwante tablets) is deze verwachting nog sterker geworden. Zo zie je in het onderwijs steeds vaker leerlingen die hun schriften thuis laten en alleen nog zo’n glanzend glazen schermpje bij zich hebben, waar driftig aantekeningen op worden ingetikt. Hier zijn tal van bezwaren tegen, zoals het gevaar dat er meer spelletjes op worden gespeeld dan dat er daadwerkelijk aantekeningen worden gemaakt, maar belangrijker nog, zijn de handen van de leerlingen straks nog fit genoeg om drie uur lang antwoorden neer te pennen op een eindexamen? Naast deze praktische bezwaren wil ik echter vooral ingaan op een ander aspect van het handschrift, dat sterk in gevaar is gekomen sinds de uitvinding van toetsenborden en voorgedrukte letters. Wat is een handschrift eigenlijk en waarom zou het een verlies zijn als dit steeds verder veronachtzaamd wordt?

Laatst las ik oude brieven terug die ik ooit aan een vriend heb geschreven. Het was bevreemdend om wel mijn eigen handschrift te herkennen, maar niet meteen de woorden die er stonden. Dat ik dit geschreven had, zo kwam in mij op. Toch kwam langzaam tijdens het lezen ook de herinnering terug. Dat kwam eigenlijk vooral omdat er allerlei andere informatie met de geschreven letters bij me binnenkwam. Zo kon ik aan mijn eigen handschrift zien of ik de brief in kwestie snel of bedachtzaam had geschreven, maar ook of ik de woorden onhandig in bed dan wel rustig gezeten achter een bureau had opgeschreven. Ik kon tevens aan verbeteringen en doorhalingen zien over welke woorden ik onzeker was geweest, wat ik eerst tentatief had neergeschreven en hoe ik het verbeterd had, zodat ik mij de gedachtegang zelfs na jaren weer helder voor de geest kon halen.

(meer…)

Wie ben ik?

door Don op 30 augustus 2011

Laatst zag ik een oude foto van mezelf en ik schrok. Niet over hoe oud ik inmiddels ben geworden, maar ik was eerder geschokt over wat ik zag. Ben ik echt ooit zo jong en onbezonnen geweest? Ik kijk in die jonge ogen, zo vast overtuigd van zaken die ik nog helemaal niet kon weten. Dat onbezonnen rotsvaste vertrouwen in het eigen gelijk maakt jeugd ergens wel aantrekkelijk, maar om het zo bij jezelf terug te zien is niet prettig. Het roept schaamte op over wie ik toen was. Maar het maakt ook dat ik veel meer tevreden ben over mijn huidige toestand. Immers, ik weet dat ik rijper, zachtaardiger en wellicht ook wijzer ben geworden. Of is dat ook slechts schijn? Ben ik nog altijd zo ingenomen met mezelf dat ik ook nu weer geloof in mijn eigen gelijk? Maar nee, hier moet ik mijzelf in de rede vallen. Er is veel veranderd sinds die jonge jaren: ik heb veel meer ervaring opgedaan, waarbij de belangrijkste nog wel het feit dat ik het vaak ook mis heb gehad in mijn leven. Vergissingen maken de kern uit van elk leren en in die zin heb ik vast veel geleerd. Dat maakt dat ik minder overtuigd ben van mijn eigen gelijk dan vroeger. Ouder worden betekent dan minder zeker worden van jezelf. Terwijl ik tegelijk minder aan mijzelf twijfel als persoon. Want ik ben ook meer uitgekristalliseerd, stabieler en meer solide geworden. Het is een vreemde innerlijke tegenstelling die ik hier uitspreek.

Een en ander doet me hernieuwd nadenken over wie ik dan eigenlijk ben, een vraag die mij ook al achtervolgde toen ik nog geen filosoof was. ‘Ken u zelve’ stond boven de ingang van de tempel in Delphi geschreven. En Plato hamerde hier later ook steeds op. Het is denk ik de belangrijkste vraag die men kan stellen. Maar is die ook echt te beantwoorden?

(meer…)

Filosofisch schaakspel

door Don op 14 augustus 2011

In 1996 speelde Kasparov tegen Deep Blue, een schaakcomputer die goed genoeg zou zijn om het tegen de grootmeester op te nemen. Na 6 matches had Kasparov de meeste punten verzameld en gewonnen. Maar een jaar later won Deep Blue het van de grootmeester. Op zich interessante feiten en elke match is zonder meer het bestuderen waard. Maar wat gebeurt er nu eigenlijk als wij schaakspelen?

Voor ons staat een schaakbord met de vertrouwde 64 vakjes en in opstelling de witte en zwarte schaakstukken tegenover elkaar. Nemen we de eerste match tussen Kasparov en Deep Blue dan opent wit met e4. Is dat een logische zet? Het is een vertrouwde opening, maar op zich is het een van de 18 mogelijke openingszetten. Maar wat betekent mogelijkheid in dit geval?
Nemen we een pion: het is een stukje hout dat is vormgegeven als een abstract poppetje. Met het vilten voetje glijdt het over het bord naar het bestemmingsvakje. Qua mogelijkheid had het ook iets heel anders kunnen doen – schaakstukken kunnen namelijk overal neergezet worden waar men maar wil, ook buiten het bord. Ze kunnen zelfs gegooid worden, dat is fysiek niet onmogelijk. Eigenlijk is alles mogelijk wat met houten voorwerpen doorgaans mogelijk is, zelfs in brand steken. Het materiaal van het schaakstuk brengt tal van mogelijkheden met zich mee, conform de oorsprong ervan.
Kijken we naar de oorsprong van het schaakstuk, dan zien we het hout waar het van gemaakt is en tevens daarmee de boom waar het uit gevormd is. De vorm van het schaakstuk is er dankzij de rest van de boom die afwezig is. Je zou kunnen zeggen dat de hele boom verwijderd is totdat alleen dat schaakstuk overbleef qua vorm. Je zou ook kunnen zeggen dat het schaakstuk als mogelijkheid al van tevoren in de boom besloten heeft gezeten, anders had die er nooit uitgehaald kunnen worden. Toch is dit een beetje moeilijk voorstelbaar. Stel dat het hele schaakspel uit dezelfde boom is vervaardigd en stel dat we terug kunnen gaan in de tijd en de boom nauwkeurig kunnen bekijken. Zien we dan al iets van het nog te maken schaakspel in de boom terug? Nee, op geen enkele manier toont het schaakspel zich in een boom. Niet alleen zijn de schaakstukken en het schaakbord onzichtbaar in het nog levende hout verborgen, ook het spel zelf, de bewegingen die de schaakstukken later ooit gaan maken, zijn totaal vreemd aan de boom. De boom kan alleen boom zijn door de volledige afwezigheid van schaakstukken en het spel in zijn stam. Op dezelfde manier als later het spel alleen kan bestaan door de afwezigheid van de boom waaruit het spel stamt. Welke betekenis heeft de materiële oorsprong van het schaakspel dan eigenlijk?

(meer…)

Oorsprong van het denken

door Don op 7 augustus 2011

Waartoe filosofie? Wanneer ben je een filosoof? Die vragen worstel ik vaak mee. Als Gerard Visser gelijk heeft wanneer hij in zijn boek ‘Niets Cadeau’ stelt dat hij zich filosoof noemt sinds hij erachter kwam dat hij steeds op dezelfde vragen uitkomt, dan zou dit voor mij een aanleiding kunnen zijn om mezelf filosoof te noemen: de steeds terugkerende vraag waar het allemaal goed voor is. Deze vraag is echter zowel inspirerend als verlammend en vaak eerder een obstakel dan een drijfveer tot filosofie.

Ik schrijf niet graag over mijzelf, wat eigenlijk vreemd is, want ik ben eigenlijk van mening dat het subjectieve vele malen echter is dan het objectieve, als er tenminste zoiets als echtheid bestaat. Toch acht ik mijzelf, mijn eigen ervaringen en mijn eigen gedachten meestal te nietig voor woorden, zodat ik mijzelf net zo hard negeer als ik vaak door mijn omgeving genegeerd word. Over mijn medemens schrijf ik ook niet graag – ik ga zelfs niet graag met ze om. Liever ga ik in gedachten op een hoge bergtop zitten om naar de horizon te staren en mijzelf af te vragen waar het allemaal over gaat. Alsof zoiets mogelijk zou zijn! Is het niet zo dat de ijle hoogten zover van het leven verwijderd staan dat een vraag naar de zin van alles daar zeker geen antwoord kan vinden? Vanwaar die neiging om in de kille ijle lucht na te denken over de mensheid? Ik geloof niet eens in zoiets als de mensheid.

(meer…)